To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol02/nr01/a03
Schuldig landschap
Dat de huizen van beruchte misdadigers kunnen uitgroeien tot media-genieke symbolen van het Kwaad, is niet uniek voor de zaak Dutroux. Vergelijkbaar is de zaak rondom het Britse echtpaar Frederick en Rosemary West, die in de periode 1967-1987 zeker twaalf jonge vrouwen folterden, verkrachtten en vermoordden in hun woonhuizen in Gloucester. Een meer recent voorbeeld is de ‘horrorkelder’ van Josef Fritzl in het Oostenrijkse Amstetten, waar hij zijn dochter meer dan twintig jaar opsloot en misbruikte. Beide zaken waren veelvuldig in het (internationale) nieuws, compleet met gedetailleerde verslagen en foto’s van de desbetreffende ‘gruwelruimtes’.
Logan en Reeves (2009) beschrijven hoe plaatsen die leed en wreedheid representeren steeds vaker worden gezien en bewaakt als een vorm van cultureel erfgoed. Doordat het gaat om plekken die verbonden zijn met ‘donkere’ gebeurtenissen, wordt er in de cultuurwetenschap ook wel gesproken over black spots (Rojek 1993, 136). Een nadeel van deze term is dat black spots in de volksmond doorgaans worden geassocieerd met een specifieke categorie ‘donkere’ gebeurtenissen, namelijk verkeersongelukken. Een andere term die regelmatig terugkeert is dissonant heritage (Tunbridge & Ashworth 1996), dark heritage (Wight & Lennon 2007 of difficult heritage (Logan & Reeves 2009). Deze termen hebben echter op hun beurt als nadeel dat zij juist een te algemeen karakter dragen. Erfgoed kan immers slaan op een keur aan zaken, variërend van materiële objecten als gebouwen of landschappen tot niet-materiële zaken als liederen, rituelen of verhalen.
Om een beter begrip te krijgen van de specifieke rol die fysiek-materiële lokaties -- zoals de huizen van Dutroux -- spelen in de collectieve herinnering aan dramatische gebeurtenissen die veelvuldig in het nieuws zijn geweest, lijkt het ons noodzakelijk om op zoek te gaan naar een alternatief concept (cf. Seaton 2009, 85). Een mogelijk antwoord, zo betoogden wij in een eerder artikel (Reijnders 2009), kan worden gevonden in het werk van de Nederlandse kunstenaar en schrijver Armando.
Armando (geboren in Amsterdam, 1929) bracht een deel van zijn jeugd door in de omgeving van kamp Amersfoort, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog dienst deed als ‘Polizeiliches Durchgangslager’. Wat Armando na de oorlog verbaasde, en wat hem tijdens zijn carrière als kunstenaar blijvend heeft beïnvloed, was het feit dat dit voormalige oorlogsgebied een dergelijk vredige uitstraling had gekregen. Het leek wel of de moorden en martelingen nooit hadden plaats gevonden, zo welig tierde het natuurschoon hier. Maar de bossen rondom het concentratiekamp waren getuige geweest van gruwelijke oorlogsmisdaden, aldus Armando, en waren daar mede schuldig aan. Ze vormden, met andere woorden, een ‘schuldig landschap’ (Armando 1998).
De kracht van de term ‘schuldig landschap’, zoals Armando dat toepaste in zijn beeldend werk, is dat landschappen zelf een actieve rol krijgen toegedicht. Landschappen kunnen -- net als mensen -- een bepaalde schuld met zich meedragen. Door ruimte zo’n actieve rol toe te dichten, sluit Armando aan op een filosofische stroming die weliswaar nooit centraal heeft gestaan, maar toch al lange tijd deel uitmaakt van het Westerse gedachtegoed. Diverse filosofen, van Heidegger tot Merleau-Ponty, hebben gewezen op het belang van plaats voor de beleving en waarneming van de werkelijkheid (Malpas 1999, 1-18). Gebeurtenissen vinden plaats, omdat ze ergens plaats kunnen vinden, omdat er een ruimte is van waaruit de gebeurtenis tot stand kan komen. Zelfs de meest abstracte fantasieën en filosofieën staan nooit los van de fysieke werkelijkheid, zo wordt beredeneerd door Marcia Cavell. Zij ontstaan en wortelen zich altijd ergens: ‘in the only place it can, here, in the midst of things’ (geciteerd in: Reijnders 2009).
Dat landschappen een actieve rol kunnen spelen in de wijze waarop de mens de werkelijkheid beleeft, wil nog niet zeggen dat ieder landschap even belangrijk is. Sommige landschappen of ruimtes lijken meer ‘actief’ te zijn dan andere. De kracht van een landschap komt bijvoorbeeld duidelijk aan de oppervlakte bij gebeurtenissen die een negatieve associatie oproepen. Hierbij kan gedacht worden aan oude oorlogsgebieden, zoals kamp Amersfoort, maar ook aan locaties waar grote rampen, terroristische aanslagen, verkeersongelukken of beruchte misdaden hebben plaats gevonden. Alhoewel er vaak nog weinig materiële referentiepunten zijn aan het verleden, zal deze plaats voor de nabestaanden en andere betrokkenen altijd een belangrijke, mogelijk zelfs traumatische betekenis houden. De omgang met deze locaties vormt dan ook dikwijls een beladen kwestie (Reijnders 2009).
In de omgang met een schuldig landschap zijn, zo willen wij in dit artikel betogen, doorgaans meerdere partijen betrokken. Elke partij heeft een eigen belang en perspectief, waardoor conflicten kunnen ontstaan tussen de betrokkenen over welke beslissingen er over de desbetreffende plaats moeten worden gemaakt. Vaak is er sprake van een ongelijke machtsverdeling, waarbij sommige partijen een grotere invloed hebben op de wijze waarop er met de plek wordt omgegaan dan andere. In navolging van Seaton’s studie naar de management van het fenomeen ‘thanatourism’ (2009) onderscheiden wij vier partijen die betrokken zijn bij de inrichting en gebruik van schuldige landschappen: de eigenaren en opzichters, de gerepresenteerde subjecten en/of hun woordvoerders, de lokale gemeenschappen en de bezoekers.
Deze vier partijen keren ook duidelijk terug in het geval van de Dutroux-affaire. In de hierop volgende hoofdstukken zal dan ook onderzocht worden hoe de desbetreffende gemeentes, buurtbewoners, lokale ondernemers en bezoekers zijn omgegaan met het schuldig landschap van Dutroux. In navolging van Seaton (2009) zal de nadruk komen te liggen op de interactie tussen de diverse betrokken partijen. Welke beslissingen zijn gemaakt door de lokale gemeentes, hoe hebben de lokaal omwonenden hierop gereageerd, en welke rol spelen de commerciële initiatieven rondom de huizen van Dutroux binnen dit krachtenveld? Slechts door een dergelijk multi-actor perspectief te hanteren, kan een verfijnd beeld worden geschapen van de rol en betekenis van de huizen van Dutroux in de herinnering aan dit collectief, Belgisch trauma.
Tegelijkertijd wordt in dit onderzoek ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de rol van de huizen zelf. Volgens Sharpley (2009, 16) loopt de benadering van Seaton het gevaar dat er enkel nog oog is voor sociaal-culturele processen, ten koste van de fysiek-materiële dimensie. Om dit verwijt te ondervangen wordt in dit onderzoek een multi-actor perspectief gehanteerd, waarbij de huizen zelf ook als ‘actor’ worden betrokken. Zij vormen dan ook het vertrekpunt van de analyse.
