To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol02/nr01/a03
De huizen van Dutroux
De zaak Dutroux heeft veel aandacht in de media gekregen, zowel in België als in Nederland. Dutroux bleek verantwoordelijk te zijn voor het ontvoeren, gijzelen, verkrachten en het vermoorden van Julie Lejeune, Mélissa Russo, An Marchal en Eefje Lambrecks. Ook ontvoerde, gijzelde en mishandelde hij Sabine Dardenne en Laetitia Delhez, maar zij overleefden de ontberingen.
De Dutroux-affaire bracht een diepe maatschappelijke beroering teweeg. Men sprak zelfs van een collectief Belgisch trauma (Knoop 1998). Deze enorme impact was ten dele te wijten aan de gruwelijke details van de zaak zelf, die in de media uitvoerig aan bod kwamen. Maar er was meer aan de hand. De zaak Dutroux werd tevens berucht door de aaneenschakeling van fouten die werden begaan door de Belgische politie. Zo had de politie geen verbanden gelegd tussen de ontvoeringen van Julie en Mélissa enerzijds en An en Eefje anderzijds. Als deze fouten niet waren gemaakt, had Dutroux naar alle waarschijnlijkheid veel eerder gearresteerd kunnen worden. Bovendien wist Dutroux tijdens zijn detentie tijdelijk te ontsnappen. Deze verschillende blunders leidden tot grootschalige prostestdemonstraties, waaronder de bekende ‘Witte Mars’ van 20 oktober 1996. Uiteindelijk zou de Dutroux-affaire zelfs resulteren tot de val van twee ministers en tot ingrijpende hervormingen in zowel de politiediensten als het justitiële bestel van België (Knoop 1998; Nieuwsblad 2009; InfoNu 2010).
In de berichtgeving over Dutroux was een belangrijke rol weggelegd voor de huizen waar hij zijn slachtoffers gevangen hield. Dutroux bezat in totaal zeven huizen in België, waarvan er vier gebruikt werden voor de ontvoeringen. Het huis in Marcinelle werd echter het meest genoemd in de media. In de kelder van dit huis hebben alle zes meisjes voor een bepaalde duur vastgezeten. Uiteindelijk vond ook hier de arrestatie van Dutroux plaats en werden Sabine en Laetitia in 1996 levend bevrijd. Details over de wijze waarop de meisjes hier gevangen hadden gezeten schepten in de media het beeld van een diabolische ‘horrorkelder’.
In dit artikel wordt, vijftien jaar na de arrestatie van Dutroux, onderzocht wat er in de tussentijd is gebeurd met deze woonhuizen. Centraal staat de vraag hoe de verschillende betrokken partijen zijn omgegaan met de vier huizen waar Dutroux zijn slachtoffers gevangen heeft gehouden en vermoord. Welk beleid is gevoerd ten aanzien van deze huizen door de lokale gemeentes? Hoe hebben lokaal omwonenden gereageerd op dit beleid, en welke activiteiten zijn vervolgens door hen geïnitieerd rondom deze plaatsen? Welke initiatieven zijn genomen door lokale toeristenbureaus en welke motieven lagen hieraan ten grondslag? Achterliggend doel is om te onderzoeken welke rol fysiek-materiële locaties en objecten spelen in de wijze waarop de collectieve herinnering aan traumatische gebeurtenissen vorm krijgt.
Om deze vragen te beantwoorden is bij allevier de woonhuizen veldwerk verricht. De desbetreffende locaties zijn bezocht en onderworpen aan een site-analysis: een uitvoerige beschrijving van de ruimtelijke omgeving en een analyse van de onderliggende betekenislagen. Daarnaast zijn er zestien semi-gestructureerde diepte-interviews gehouden met woordvoerders van lokale gemeentes, buurtbewoners, initiators van georganiseerde activiteiten rondom de huizen van Dutroux en andere betrokkenen.[1] Alvorens de resultaten van het veldwerk gepresenteerd worden, zal in de hierop volgende paragraaf eerst het theoretisch kader worden uiteengezet.
