Quotidian 1 (December 2009)J.G.L. Thijssen: ‘Ze missen het sappige en het fleurige’

To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol01/nr01/a06

Paper

De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, kortweg vaak het Nut genoemd, werd in 1784 opgericht met de verheffing van het ‘gemeene volk’ als belangrijkste doelstelling. Daartoe werden tal van educatieve activiteiten ontplooid. Onder redactie van het Nut zijn in de negentiende eeuw drie series schoolprenten verschenen, telkens bij andere uitgevers. Ze behoren tot de vroegste Nederlandse schoolprenten; prenten die als educatief alternatief voor de ‘platvloerse’ traditionele volks- en kinderprenten golden.[1] Werden de traditionele prenten op volksscholen slechts gebruikt ter beloning van gedrag of leerprestatie, Nutsprenten waren daarnaast ook voor onderwijs bestemd. Door hun grootte, tabloidformaat of iets groter, konden leerlingen ze in handen houden of voor zich op tafel leggen. Het waren zogeheten handplaten die bekeken konden worden door een leerling of hooguit enkele leerlingen tegelijk. Ze vormden in de negentiende eeuw de tussenschakel in het ontwikkelingsverloop van de kleinere boekplaat als leerboekillustratie naar de grotere wandplaat aan de muur van een leslokaal ten behoeve van klassikaal onderwijs.

De drie tussen 1800 en 1860 door het Nut geredigeerde schoolprentenseries zijn later naar hun uitgevers aangeduid als resp. (1) de Bouwer/vMunster-serie, (2) de Stichter-serie en (3) de Sythoff-serie. De prenten uit deze series waren overigens ook buiten de school om verkrijgbaar voor alle lagen van de bevolking, net als de traditionele volks- en kinderprenten.

De intensiteit van de redigerende arbeid door het Nut, goeddeels gedelegeerd aan een daarvoor ingestelde commissie, varieerde van vrij globale tot zeer vergaande bemoeienis met de prentproductie en met de handelwijze van de uitgevers, zowel wat afbeelding, tekst als prijsstelling betreft. De bemoeienis van het Nut werd ingegeven door het educatieve belang, dat soms botste met het commerciële belang van de uitgever.[2]

De publicatie van de tweede Nutsprentenserie, waarop in deze bijdrage de nadruk ligt, heeft een relatief lichte vorm van redactionele controle gekend, hetgeen te maken heeft met haar bijzondere ontstaansgeschiedenis. De uitgever, Erven van de Wed. C. Stichter, kortweg Stichter, maakte gebruik van reeds langer bestaande houtsneden voor het drukken van deze prenten. Toen de voor deze serie hergebruikte houtblokken werden verkocht aan de soms dubieus opererende boekdrukkerij van Noman te Zaltbommel, onttrok de uitgave van deze prenten zich geheel aan de educatieve controle van het Nut, waardoor het commerciële belang vrij spel kreeg. Daardoor kan enig inzicht worden verkregen in de attractiviteit van deze prenten op de vrije markt.

In het navolgende deel komt eerst de bijzondere voorgeschiedenis van de tweede Nutsprentenserie aan de orde en daarna de feitelijke ontwikkeling ervan. Vervolgens wordt ingegaan op de bewerking ervan door drukker en uitgever Noman en op de marktwaarde van deze Nutsprenten, met name betreffende de prijsontwikkeling en de aangeboden oplages op de vrije markt. Op dit laatste aspect zal relatief veel nadruk worden gelegd, omdat de uit analyses naar voorkomende bevindingen ingaan tegen de heersende assumptie dat Nutsprenten in hun tijd weinig populair zijn geweest. Aan het slot kunnen we concluderen, dat de traditionele opvatting over de onaantrekkelijkheid van Nutsprenten op de vrije markt aan herziening toe is.