To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol01/nr01/a06
Voorgeschiedenis
In de nadagen van de Verlichting werd het kind niet langer beschouwd als een volwassene in ‘pocketformaat’. Het kind moest anders worden benaderd dan een volwassene. Het jonge kind werd beschouwd als een ‘onbeschreven blad’ (tabula rasa). Aanleg werd van weinig belang geacht; vooral de eerste educatie was daarom van essentieel belang. Kortom: er heerste scholingsoptimisme. Deze veranderende jeugdpercepties werden door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen omhelsd en uitgedragen (Lenders 1988). Een van de consequenties daarvan was dat de alom gebruikte, nogal platvloerse en zelfs onzedelijke volks- en kinderprenten uit de scholen moesten verdwijnen.
Reeds in 1791 besloot de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen tijdens haar jaarlijkse Algemene Vergadering om te pogen de traditioneel gebruikelijke volksprenten, ‘nietsbeduidende prentjens’,[3] uit te bannen. Deze prenten, die doorgaans meer op vermaak dan op lering waren gericht, werden alom op volksscholen gebruikt als ereprijzen voor gedrag en leerprestatie. In plaats daarvan zou het Nut ernaar streven andere, educatief verantwoorde schoolprenten, ‘leerzaame prentjens’, te doen vervaardigen en verspreiden.[4] De daartoe opgerichte Schoolprentencommissie had te kampen met vele tegenslagen, impasses en vertragingen. Het zou nog tot 1800 duren voor de eerste prenten van deze door het Nut gesubsidieerde schoolprentenserie op de markt kwamen, maar de uitgave bleek van meet af aan succesvol.[5] Het onderscheid tussen traditionele kinderprenten en Nutsprenten betrof niet alleen de keuze van nuttige thema’s . Enkele onderwerpen, zoals kinderspelen, kwamen zowel op traditionele als op Nutsprenten voor, maar doorgaans was een onderscheid in technische uitvoering opvallend (afb. 1 en 2).
De eerste prenten uit de in 1800 begonnen reeks, die wel wordt aangeduid als de Bouwer/vMunster-reeks, werden gedrukt op naam van uitgever J. Bouwer & Wed. J. Ratelband en hun opvolgers.[6] Deze uitgever had, naast deze educatieve Nutsreeks, geheel voor eigen rekening en risico een omvangrijke traditionele prentenserie op de markt gebracht van meer dan honderd verschillende volksprenten.[7] Deze commerciële prenten waren, zoals gebruikelijk bij volksprenten, gekenmerkt met een of meer cijfers: het prentnummer in de rechter bovenhoek, ten einde misverstanden bij bestellingen te voorkomen, terwijl het ‘adres’ (= uitgeversnaam en locatie) doorgaans in de ondermarge van volksprenten werd vermeld.
Ter onderscheiding van traditionele volksprenten werd de eerste educatieve reeks van het Nut, waarvan de uitgave uit de Nutskas werd gesubsidieerd, gekenmerkt met letters: in volgorde van verschijning met letter A, B, etc. t/m Z, ten einde daarna verder te gaan met dubbele letters, AA, BB, etc. Dit onderscheid tussen cijfers en letters als kenmerk van traditionele en educatieve prentreeksen zou in de eerste helft van de negentiende eeuw nog herhaaldelijk worden gebruikt[8] en misbruikt, onder meer door boekdrukker/uitgever Noman, iets wat verderop in deze bijdrage nog ter sprake komt.
Werd de omslag van de traditionele volksprent naar de schoolprent aan het begin van de negentiende eeuw als vooruitgang gezien, twintigste-eeuwse reflecties daarop in volksprentstudies bieden een ander beeld. Van Heurck & Boekenoogen zagen die omslag bepaald niet als vooruitgang vanwege de ongunstige invloed op de ontwikkeling van de traditionele volksprent, althans zo voegden ze daar relativerend aan toe, vanuit hedendaags gezichtspunt bezien, ‘de l’avis de notre temps’ (Van Heurck & Van Boekenoogen 1910, 555).
Een halve eeuw later laat De Meyer die relativering varen. Hij geeft niet slechts aan dat Nutsprenten en andere daarmee verwante schoolprenten hem niet interesseren (De Meyer 1962, 44-46), maar hij bekritiseert ze, evenals negentiende-eeuwse bijbelprenten, om hun saaie aanblik en pedagogische inhoud (De Meyer 1970, 79-80 en 146-147). Traditionele volksprenten waardeert hij niet alleen omwille van hun naïeve charme, hij trekt ook conclusies over de betekenis die deze volksprenten voor kinderen moet hebben gehad, onder meer door te stellen: ‘door hun verrassende en uiterst levendige expressiviteit waren ze veel aantrekkelijker en ze zullen zeker ook meer indruk gemaakt hebben op hun lezers’ (De Meyer 1970, 80). Dat binnen de kinderlijke braafheidcultuur uit die tijd wellicht andere percepties zouden kunnen bestaan dan anderhalve eeuw later is door de Meyer niet in zijn overwegingen betrokken. Hij typeerde de Nutsprenten vanuit zijn eigen eigentijdse perceptie als droog en dor: ‘Ze missen het sappige en fleurige van de naïeve traditionele volksprenten’ (De Meyer 1962, 268).
Het lijkt erop dat De Meyer een romantisch-volkskundig ideaalbeeld etaleert zonder daarvoor enige empirische onderbouwing te leveren. Andere volkskundige auteurs blijven zijn voetspoor volgen tot aan het einde van de twintigste eeuw. Zo verwijt bijvoorbeeld Vansummeren de schoolprentenuitgaven van het Nut dat deze een betreurenswaardige ontwikkeling hebben ingeluid ‘waardoor de volksprent een stereotiep en onpersoonlijk massaprodukt werd’ en er van het traditionele karakter van de oude volks- en kinderprenten weinig meer overbleef (Vansummeren 1994, 169-170).
Vanuit een meer objectieve motivering komt ook kunsthistorica Korine Hazelzet tot de conclusie dat Nutsprenten waarschijnlijk weinig aantrekkelijk zijn geweest voor het negentiende-eeuwse kind, namelijk de relatief goede staat waarin de Nutsprenten zijn bewaard gebleven (Hazelzet 1995). Hazelzet hanteert derhalve de ‘overlevingsgraad’ van Nutsprenten als indicator voor onaantrekkelijkheid. Daarbij moet worden opgemerkt dat leden van het Nut van alle uitgaven (zowel boeken als prenten) een gratis exemplaar kregen, dat vaak keurig werd opgeborgen en bewaard in plaats van weggeschonken aan ‘minvermogenden’. Dat dit (enige) impact heeft gehad op de gemiddelde overlevingsgraad is duidelijk, maar daarmee is de non-attractiviteit van Nutsprenten nog niet aangetoond.
Hoe dan ook, de mate van (on)aantrekkelijkheid van Nutsprenten is herhaaldelijk aan de orde gesteld. Echter, het antwoord op de vraag in hoeverre Nutsprenten aftrek zouden vinden als kinderen (of hun ouders) ze tegen marktconforme prijzen zouden moeten kopen, is evenwel onbeantwoord gebleven. Dat aspect zal in het vervolg de nodige nadruk krijgen.
In 1807, toen de zich gestaag uitbreidende eerste schoolprentenserie van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen alom aftrek bleek te vinden, werd tijdens de algemene jaarvergadering van het Nut gesproken over een nieuwe serie schoolprenten uit te geven door Stichter uit Amsterdam, uitgever van de vermaarde Enkhuizer Almanak.[9]
De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen beschouwde een almanak als een goed middel voor volkseducatie, gezien het algemeen gebruik ervan onder het gewone volk. Nadat de almanakcommissie van het Nut plannen had verworpen om een nieuwe almanak uit te geven in eigen beheer, werd samenwerking gezocht met Stichter om de Enkhuizer Almanak een meer educatieve functie te geven. In de ‘Enkhuyser Almanach’ van 1800 verscheen een bericht over deze nieuwe Nutsactiviteit ‘ter verbetering van goede zeden, zo wel als tot den aanwasch van kennis in weetenswaardige zaken’,[10] ondertekend door de algemeen secretaris van het Nut, Brender à Brandis.
Als blijk van deze verandering verscheen vanaf 1800 op de omslag van de Enkhuizer Almanak de tekst ‘Tot Nut Van ’T Algemeen’. De inhoudelijke samenwerking kwam erop neer dat Stichter zelf in de algemene almanakinformatie voorzag (kalender, kermissen, jaarmarkten, etc.), terwijl de Almanakcommissie van het Nut het zogeheten mengelwerk verzorgde waarin traditiegetrouw zowel teksten als illustraties werden opgenomen. En uiteraard behoorde het tot de taak van de Almanakcommissie ervoor te waken dat ook deze illustraties voldoende educatief van aard waren.
Stichter richtte zich in 1807 tot de Algemene Vergadering van het Nut met het verzoek schoolprenten te mogen uitgeven door hergebruik van de houtblokken voor educatieve illustraties uit de almanakken. Het verzoek van Stichter werd ingewilligd.[11] Het kon ook moeilijk worden afgewezen: het was evident dat deze illustraties reeds eerder door het Nut aan de beoogde volkseducatieve doelstellingen waren getoetst. Het educatief belang zou dus bij hergebruik zijn gediend.
Daarnaast bracht Stichter het idee naar voren de schoolprenten van het Nut te voorzien van ‘een klein kenteeken van derzelver afkomst van de Maatschappij’.[12] Stichter wilde graag, om commerciële redenen, dat de uit te geven educatieve prenten herkenbaar waren als goedgekeurd door het Nut.
Het keurmerkidee werd door het Nut overgenomen. De schoolprenten uit de geplande Stichter-serie en uit de reeds lopende Bouwer/vMunster-serie zouden vanaf 1808 een door de Schoolprentencommissie te bepalen kenteken krijgen als een soort bewijs van goedkeuring door het Nut (zie afb. 3).
Tegelijkertijd werd dit teken ook in gebruik genomen voor boeken die op initiatief van het Nut werden uitgegeven. Van deze Nutsboeken en -prenten ontvingen alle leden een gratis exemplaar, ten einde dit na eigen gebruik door te geven aan minvermogenden om zo de educatie van het volk te bevorderen.[13] De voorstelling van dit Nutsvignet, later ook wel Nutszegel genoemd, werd ontleend aan een reeds rond 1800 bekende medaille die door het Nut als eerbewijs werd gebruikt voor mensen die bijzondere daden hadden verricht, een gebruik dat vele decennia als voorloper gold van de in ons land toen nog niet bestaande lintjesregen.
