Quotidian 1 (December 2009)J.G.L. Thijssen: ‘Ze missen het sappige en het fleurige’

To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol01/nr01/a06

Marktwaarde

Over de behoefte aan de nogal ‘brave’ Nutsprenten en de commerciële haalbaarheid van uitgave ervan op de vrije markt is vaak in terughoudende, zo niet in denigrerende, bewoordingen geschreven. Eerdergenoemde auteurs, met name Hazelzet, De Meyer en Vansummeren, typeerden Nutsprenten als minder aantrekkelijk: uit hun opvattingen zou men kunnen afleiden dat de grote oplage van Nutsprenten niet zo zeer aan hun attractiviteit is toe te schrijven, maar veeleer aan andere oorzaken. Inderdaad, er mag niet worden ontkend dat de financiële condities (duizenden exemplaren gratis verspreid onder Nutsleden) en de educatieve condities (gepropageerde denkbeelden over goed onderwijs) omzetverhogend hebben gewerkt.

Maar ook buiten de gecontroleerde distributie van duizenden prenten om (gedistribueerd via het Nutsbestuur aan hun leden en via schoolmeesters aan kinderen) moet de verkoop van Nutsprenten succesvol zijn geweest, zo heeft een recente analyse uitgewezen (Thijssen 2009, 67-69). Van eenzelfde houtblok konden zeker 10.000 afdrukken worden gemaakt. Rond 1810 kende het Nut ruim 8.000 leden die allen een gratis Nutsalmanakje met afbeeldingen ontvingen (Buijnsters en Buijnsters-Smets 2001, 14). Het feit dat Stichter een verzoek indiende om de Nutsalmanak-blokjes na 8.000 afdrukken te mogen hergebruiken om Nutsprenten te vervaardigen, impliceert dat deze houtblokjes nog lang niet versleten waren, te meer daar het Nut scherp op de kwaliteit lette. Was een houtblok te ver afgesleten, dan moest een imitatiekopie worden gesneden; daarna was het versleten en moest een imitatiekopie worden gesneden. Uit eerdernoemde analyse is gebleken dat bepaalde afbeeldingen met vier verschillende (slechts na sterke vergroting te onderscheiden) houtblokken zijn gedrukt, hetgeen op tienduizenden afdrukken wijst.

Er zijn nog andere redenen om aan te nemen dat Nutsprenten op de vrije markt aantrekkelijk genoeg waren om te exploiteren. Van de eerste Nutsprentenreeks, de Bouwer/VanMunster-reeks werd, zoals eerder aangegeven, binnen korte tijd ca. 30 % nagemaakt, met of zonder variaties, en wel door uitgevers die deze opnamen in hun commerciële volksprentfondslijsten (Thijssen 2008, 88). Dat gebeurde ook met de tweede Nutsreeks, niet zelden met stapsgewijze verlies van de oorspronkelijke informatie. Zo verscheen bijvoorbeeld in d’Erve C. Stichters Enkhuyser Almanach Tot Nut Van ’T Algemeen uit 1802 een serie voorstellingen van ‘voornaame stammen der aloude Duitsche volken’, waaronder de stam van de HERULER, aan wie in een tienregelige tekst de stichting van Haarlem werd toegeschreven. Op Nutsprent Stichter # B werd die toelichting beknopt samengevat in 35 klein gedrukte woorden. Dezelfde afbeelding op de pseudo-Nutsprent Noman # H kende een sterk ingekort en bijna onbegrijpelijk onderschrift van twintig woorden (zie afb. 5), terwijl een vereenvoudigde nadruk van deze afbeelding op de prent Glenisson & Van Genechten # 105 nog slechts een onderschrift van tien woorden kende.

FIG2

Afb. 5: Het volk der Herulers, dat Haarlem stichtte, verbeeld op prent Noman #H. Collectie Thijssen.

Hoewel de frequentie van voornoemd kopieergedrag reeds een aanwijzing is voor de verkoopbaarheid van Nutsprenten op de vrije markt, is een nog beter inzicht daarin te krijgen door bestudering van de fondslijsten van Noman die, na aankoop van de houtblokken van Stichter, Nutsblokken hergebruikte over een periode van tenminste een kwart eeuw. En Noman is bij uitstek een uitgever die wij er niet van hoeven te verdenken dat hij het stimuleren van volkseducatie liet prevaleren boven commercieel eigenbelang.

Nadat Nomans dubieuze handelwijze met flinke boetes was bestraft, heeft hij zijn enkelgeletterde schoolprentenreeks gecontinueerd, hoewel hij het Nutsvignet diende weg te laten. In totaal bood Noman in ‘zijn’ reeks, die hij aanduidde als ‘van de Maatschappij’ (zie o.m. fondslijst 1818) negen verschillende prenten aan, drie met als thema natuur, zes met als thema (cultuur)historie. Ze waren genummerd als een educatieve reeks, # A t/m # I, zonder dat de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen daar invloed op had en ook niet op kon hebben, zolang Noman niet wederrechtelijk het Nutsvignet gebruikte.

In de archieven van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak, kortweg KVB, zijn de fondslijsten van Noman uit vijf verschillende jaren te raadplegen, resp. uit 1818, 1820, 1827, 1834 en 1840, hetgeen een aardige spreiding over ongeveer een kwart eeuw betekent.[19]

Uit deze fondslijsten blijkt dat de oud-Nutsprenten bepaald niet goedkoper waren dan de andere kinderprenten, vaak zelfs iets duurder, terwijl ze toch aftrek vonden, anders zou er voor Noman geen reden zijn geweest om deze prentserie 25 jaar lang in zijn fonds te blijven opnemen tegen een relatief hoge prijs. Kennelijk was het mogelijk over een lange periode oud-Nutsprenten voor de gewone marktprijs of zelfs iets meer te verhandelen, hetgeen de scepsis van eerdergenoemde auteurs logenstraft.

Voor een globale indruk van de prijzen die Noman aan boekhandelaren berekende per riem (= 480 stuks) wordt hier een overzicht gegeven dat op de hiervoor genoemde, in de KVB-archieven gevonden fondslijsten is gebaseerd. Daaruit valt ook af te lezen dat de prijzen decennia lang vrij stabiel waren en bepaald geen inflatiecorrigerende verhogingen kenden.

 

Tabel 1. Overzicht prijzen voor kinderprenten in zwart/wit per riem (= 480 stuks) voor boekverkopers, zoals vermeld in de fondslijsten van uitgever Noman van 1818 tot/met 1840, gedrukt op standaard papier, als op best papier. De prijzen, hoewel in de fondslijsten deels ook in stuivers vermeld, zijn hier gemakshalve weergegeven in guldens en centen.


Prijs per riem
1818
1820
1827
1834
1840
gewone kinderprenten
Fl. 3.10
Fl. 3.10
Fl. 2.90
Fl. 2.75
Fl. 2.75
- dito op best schrijfpapier
Fl. 6.05
Fl. 6.05
Fl. 6.50
Fl. 6.25
Fl. 6.25
pseudo- Nutsprenten
Fl. 3.40
Fl. 3.40
Fl. 3.25
Fl. 3.00
Fl. 3.00
- dito op best schrijfpapier
Fl. 6.05
Fl. 6.05
Fl. 6.50
Fl. 6.25
Fl. 6.25

Genoemde fondslijsten bieden, voor zover mij bekend, het meest complete overzicht van door eenzelfde uitgever aan boekverkopers berekende prijzen voor kinderprenten uit de eerste helft van de negentiende eeuw, hoewel er nooit eerder in publicaties aan is gerefereerd. Behalve de hier vermelde prijzen bieden deze fondslijsten tal van andere interessante details, hetgeen in het bijzonder geldt voor de fondslijst van 1827, die het meest uitgebreid is wat deze prenten betreft. Daarin worden de prijzen van meerdere kwaliteitsvarianten in papier vermeld voor zwart/wit en gekleurd per riem, namelijk: op minder papier (2,75 zw/wit; 2,85 gekleurd), op standaard papier, i.c. ‘goed wit’ (2,90 zw/wit en 5,00 gekleurd) en op best schrijfpapier (6,50 zw/wit en 9,00 gekleurd), althans wat de varianten voor gewone kinderprenten betreft. Nutsprenten, en dat is in dit verband het meest interessant, worden door Noman niet aangeboden op ‘minder papier’, hetgeen de duurzaamheid bevorderde. En dat geldt eens te meer voor ‘oorspronkelijke’ Nutsprenten waarvoor papier werd aangekocht van Fl. 4,00 per riem (ca. 0,83 cent per blad),[20] waardoor dit papier alleen al duurder was dan de prijs die boekhandelaren betaalden voor kant-en-klaar gedrukte ‘gewone’ volksprenten (0,5 á 0,7 cent per blad) (Boerma 2008, 1). Het is wel duidelijk, dat voor dergelijke schoolprenten bovengemiddelde kwaliteitseisen golden. Een en ander impliceert bovendien dat voorzichtigheid geboden is als het om prijsvergelijkingen van diverse prenten gaat: genoemde prijsverschillen voor varianten in papier en in inkleuring laten dat ook afdoende zien. Daarbij komen ook nog de prijsverschillen in oplages. Noman biedt ons namelijk eveneens inzicht in de korting die boekverkopers konden krijgen bij afname van grotere oplagen, hetgeen tevens een indruk geeft van de omvang waarin boekhandelaren prenten inkochten. In de fondslijst van 1827 staan prijzen voor handelaren gespecificeerd vanaf één riem tot een afname van meer dan honderd riem: op ‘goed wit’ papier kostten gewone kinderprenten bij een afname in zwart/wit Fl. 2.50 per 100 riem (ipv Fl. 2.90 per riem) en de vroegere Nutsprenten Fl. 2.70 per 100 riem (i.p.v. Fl. 3.25 per riem).

Uit dezelfde fondslijst valt op te maken dat wederverkopers de bestelde prenten door Noman geleverd konden krijgen op eigen naam ‘en wel voor de zelfde Prijzen, mits er op elk nummer één Riem gedrukt wordt’.[21] En van dat soort wederverkopers had Noman er heel wat. Zo zijn uit de betreffende Nutsserie voorbeelden voor handen van prenten gedrukt op naam van grote handelaren als Schalekamp & Van De Grampel, Wijsmuller, etcetera, hetgeen een evidente indicatie is voor de grote oplages waarin hun klanten daar belangstelling voor hadden.

Noman verkocht zijn prenten dus bepaald niet alleen rechtstreeks via zijn eigen boekhandel, maar voor het merendeel via wel 25 wederverkopers, al dan niet op hun eigen naam.

Wie zich realiseert dat het bij een afname van 100 riem om 48.000 stuks gaat, terwijl Noman in zijn fondslijst van 1827 meer dan 450 verschillende prenten aanbood (Nutsprenten vormden maar een kleine selectie uit het aanbod), kan niet anders dan concluderen dat een jaaromzet van honderdduizenden prenten goed haalbaar moet zijn geweest.

Een dergelijke omzet is niet uitzonderlijk hoog in vergelijking met andere grote negentiende-eeuwse prentuitgevers, waarvan Brepols te Turnhout de best onderbouwde gegevens heeft kunnen verschaffen: gemiddeld 400.000 exemplaren per jaar over een periode van ongeveer een ¾ eeuw (Vansummeren 1996).

Rond 1850 berichtte een andere grote schoolprentenuitgever, Schuitemaker te Purmerend, in een ‘Berigt’ dat hij in ‘3 maanden ruim 2000 riem of 1 millioen stuks’ had verkocht (Schuitemaker 1853). Dat is een omzet waarvan men zich zou kunnen afvragen, of het hier geen grootspraak betreft, dan wel door marketingstrategie ingegeven wishful thinking. Maar met voorgaande cijfers van Noman en Brepols bij de hand lijkt de geloofwaardigheid van Schuitemaker op dit punt aardig wat dichterbij te komen. Bij schoolprenten en andere kinderprenten moet het in de negentiende eeuw om een enorme omzet zijn gegaan, zeker bij de grotere uitgevers met honderden prenten in hun fonds.

Een analyse van dergelijke aspecten valt evenwel buiten het bestek van deze bijdrage; het is hooguit input voor een meer specialistisch overzicht van prijzen en oplages van prenten. Onze bedoeling in dit verband gaat niet verder dan enig inzicht te bieden in de marktwaarde van Nutsprenten bij afzet op commerciële basis. Daarvoor is het van belang dat een puur vanuit commercieel belang opererende uitgever als Noman naast zijn traditionele prentenfonds, dat honderden volkprenten bevatte die in enorme oplagen werden verkocht, het lucratief achtte een kleine educatieve reeks van negen schoolprenten als aparte serie te handhaven, zelfs nadat de vlag van het nagemaakte Nutsvignet niet meer als marketinginstrument mocht worden gebruikt.