Quotidian 1 (December 2009)J.G.L. Thijssen: ‘Ze missen het sappige en het fleurige’

To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol01/nr01/a06

Tenslotte

Hazelzet eindigde een beschouwing over het gebruik van Nutsprenten met de uitspraak:

‘De gratis uitgedeelde Nutsprodukten zullen onder beleefde dank zijn aanvaard, zeker door kinderen. Maar of ze ook gelezen en bekeken werden, is zeer de vraag. Juist het feit dat er zoveel Nutsprenten zijn overgebleven, en meestal in zo keurige staat, is een veeg teken. Het ziet er niet naar uit, dat ze veel door veel gretige kinderhandjes zijn bepoteld.’ (Hazelzet 1995, 9).

De mate van ‘overleving’ is weliswaar een objectief criterium, maar in dit geval lijkt het ons geen valide criterium voor de door kinderen ervaren attractiviteit. Nutsprenten werden, net als Nutsboeken, onder de leden (volwassenen uit de middenklasse) gratis verspreid en het gegeven dat zij die nog wel eens zorgvuldig bewaarden (en niet – zoals beoogd – uitdeelden aan minvermogende volwassenen of kinderen), heeft de overlevingsratio natuurlijk beïnvloed. Maar deze verzameldrift van volwassenen heeft weinig te maken met de ervaren (on)attractiviteit van kinderen. Aan kinderen uitgereikte prenten hadden, zeker bij een hoge ‘aaibaarheidswaarde’, een veel geringere overlevingskans.

Bovendien, nog afgezien van het feit dat wel iets valt af te dingen op de bewering dat Nutsprenten ‘meestal’ in keurige staat verkeren, kan uit voorgaand betoog nog een tweede reden worden afgeleid voor de relatief hoge overlevingsgraad van Nutsprenten, namelijk de bovengemiddelde papierkwaliteit.

Echter, de grond waarop diverse andere auteurs, met name De Meyer en Vansummeren, de toenmalige attractiviteit van Nutsprenten hebben aangevochten, ontbeert iedere objectiviteit. Het betreft de visie dat kinderen aan het begin van de negentiende eeuw Nutsprenten niet aantrekkelijk zouden hebben gevonden en niet zouden willen kopen, omdat ze de primitieve charme van echte volksprenten missen. Het is een vanuit romantisch-volkskundig oogpunt geformuleerde visie op ‘echte’ volksprenten die aan projectie doet denken, een visie die met name door De Meyer (1962 en 1970) is uitgedragen en op diens gezag door andere auteurs tot aan het einde van de vorige eeuw kritiekloos is overgenomen. Inherent daaraan is de opvatting dat men Nutsprenten onder normale condities nog niet aan de straatstenen zou kunnen kwijtraken.

De pseudo-Nutsprenten die door Noman met de oorspronkelijke houtblokken zijn gedrukt werden echter in grote aantallen verkocht, ondanks hun iets hogere prijs, terwijl andere drukkers de houtblokken lieten kopiëren ten einde daardoor op de gebleken vraag naar dergelijke prenten te kunnen inspelen. De romantisch-volkskundige opvatting van De Meyer lijkt aan herziening toe.

Er zijn te weinig egodocumenten van kinderen over hun prenten bewaard gebleven om daaruit definitieve conclusies af te leiden over de aantrekkelijkheid van Nutsprenten, maar een enkel mogelijk teken van attractiviteit mag hier ter illustratie niet ontbreken. Op de achterzijde van één van zijn prenten, een Nutsprent over diverse werktuigen, schreef het jongetje Abe Ruurds het inmiddels reeds vaker geciteerde gedichtje:

‘Dit is Abe Ruurds zijn heiling[22]
he die veint die geeft het weer
voor een appel en een peer
en die dat niet doet
die krijgt slagen op zijn hoed
die zal zitten op het rod
met honderd spekers in zijn dot’