Quotidian 1 (December 2009)J.G.L. Thijssen: ‘Ze missen het sappige en het fleurige’

To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol01/nr01/a06

Ontwikkeling van almanakprenten tot schoolprentenreeks

Met de acceptatie van het voorstel van Stichter was nog niet geregeld welke schoolprenten er daadwerkelijk zouden verschijnen. De Schoolprentencommissie moest zich bemoeien met de wijze waarop de almanakillustraties gegroepeerd konden te worden tot echte schoolprenten. Ieder jaar verschenen er in de Enkhuizer Almanak vier illustraties over de natuurhistorie (planten, dieren) en zeven illustraties over cultuurhistorie (belangrijke gebouwen, vaderlandse geschiedenis, en dergelijke), terwijl op het gangbare schoolprentformaat in totaal vijftien of zestien houtblokjes konden worden geplaatst: drie rijen van vijf afbeeldingen of vier rijen van vier afbeeldingen.

Er moest derhalve gepast en gemeten worden om met afbeeldingen uit diverse almanakjes een schoolprent samen te stellen die in thematisch opzicht een enigermate coherent geheel kon vormen en bovendien moest de tekst worden gereduceerd tot de essentie: in de almanak was ruimte genoeg om naast elke afbeelding ter toelichting een tekst af te drukken van een pagina of zelfs meer, terwijl de tekst bij een afbeelding op een prent zich moest beperken tot een onderschrift van enkele regels. Maar desondanks was sprake van een bijzonder snelle start, want binnen een jaar verschenen de eerste prenten in deze Stichter-serie.

Daartoe zal zeker hebben bijgedragen dat Stichter al de nodige ervaring had met dit soort zaken. Het was een uitgever die op de vrije markt veel volks- en kinderprenten uitgaf, waarvan een deel gemaakt was door hergebruik van almanakillustraties uit de periode dat het mengelwerk nog in eigen beheer werd verzorgd. Veel afbeeldingen van beroepen, afgebeeld door de bekende houtsnijder Numan, waarmee heel wat almanakken van voor 1800 werden geïllustreerd, vonden hun weg naar Stichters traditionele volksprentenreeks. Stichter had dus zijn eigen ‘genummerde’ traditionele prentenreeks en daarom was het nuttig dat ook deze educatieve tweede reeks, net als de eerste, ter onderscheiding met letters werd gekenmerkt.

Het Nut liet de samenstelling van de tweede prentenreeks niet zo maar aan Stichter over, ongeacht de ruime ervaring die deze uitgever had. Net als bij de Bouwer/vMunster-reeks hield de Schoolprentencommissie de touwtjes zo veel mogelijk zelf in handen, maar in tegenstelling tot de eerste reeks verliep de productie desondanks voorspoedig. De beknopte samenvatting van almanakteksten tot onderschriften op rijm geschiedde door een prominent lid van de Schoolprentencommissie, Adriaan Loosjes Pzn. uit Haarlem, tevens een ervaren uitgever en auteur.[14] De enige echte tegenslag was dat een ontwerp voor Stichterprent # E, op basis van een proefdruk in 1811, door de censuurpolitie werd verboden, omdat daar enkele afbeeldingen met onderschriften op voorkwamen die het inmiddels Franse bewind niet bevielen.[15] Het uitgave-verbod trof met name enkele plaatjes betreffende verdediging tegen vreemde overheersing en gevoelens van sympathie jegens oranjevorsten, thema’s die kort na de inlijving bij Frankrijk gevoelig lagen. Maar voor deze verboden uitgave kwam snel een andere prent # E, een politiekneutrale prent met diverse diersoorten, in de plaats.

Even plotseling als met deze tweede Nutsserie werd begonnen, werd er reeds na een beperkt aantal jaren ook weer mee gestopt, omdat Stichter rond 1815 werd geliquideerd.[16] In totaal werden er in de periode 1808-1814 zes Nutsprenten met het adres van Stichter uitgegeven (# A t/m # F). De eerste drie hadden een historisch karakter, de andere drie bevatten afbeeldingen over de natuur. Na de liquidatie van Stichter gingen de rechten voor het drukken van de Enkhuizer Almanak over naar Van Staden, terwijl in 1815 de houtblokken van Stichter aangekocht werden door Noman, onder meer ook de houtblokken waarmee de illustraties in de verschenen Nutsalmanakken waren gedrukt.