Quotidian 3-1 (February 2012)Demelza van der Maas: Pionieren in Poort: De culturele constructie van Almere

To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol03/nr01/a03

Conclusie

In dit artikel is getoond hoe het kunstproject Pionieren in Poort een performance van historische narratieven biedt, met als doel om het nieuwe land en zijn bewoners van een collectieve identiteit te voorzien. Door het gebruik van twee framingstrategieën werd er niet alleen een museaal bewustzijn gecreëerd bij de toekomstige bewoners van Almere Poort, het nieuwe landschap werd tevens in een historische context geplaatst: enerzijds door de stereotypering van het nieuwe land als plek zonder geschiedenis en identiteit te bekritiseren, anderzijds door te verwijzen naar verschillende mythen rondom de ontstaansgeschiedenis van de IJsselmeerpolders. Deze mythen gaan over het verleden, maar hebben een duidelijke identiteitsverlenende functie in het heden. Beide framingstrategieën waren erop gericht de beleving van de ruimte en de daaraan verbonden geschiedenis zo authentiek mogelijk te maken. Pionieren in Poort lijkt hiermee op twee gedachten te hinken: enerzijds wordt het nieuwe land gevierd als een tabula rasa, een gebied voor pioniers die met de blik vooruit bouwen aan een nieuwe samenleving; anderzijds lijkt er toch behoefte te zijn het nieuwe land te voorzien van een historische dimensie die Almere Poort en de nieuwe bewoners van context en duiding voorziet. Dergelijke historisering van Almere Poort past binnen wat Frijhoff ook wel de ‘enorme, nog steeds groeiende honger naar alledaagse geschiedenis’ heeft genoemd, ofwel ‘de honger naar de vastigheid die de geschiedenis voor de interpretatie van het heden lijkt te bieden.’ (Frijhoff 2007, 50) Het verleden geeft houvast in een omgeving die onbekend en misschien nog wel beangstigender, nieuw is. Het rotsvaste vertrouwen in de toekomst dat de basis vormde voor de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee en de inrichting en ontwikkeling van de polders, lijkt sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw plaats te hebben gemaakt voor een steeds grotere angst voor de onbekende toekomst. Deze angst voor de toekomst leidt tot stilstand in het heden, een heden waarin herinnering en kennis van het verleden slechts dienen om controle te houden over het hier en nu.

De vraag is of dit presentisme – de voortdurende verwijzing naar het verleden voor hedendaagse doeleinden en de verregaande musealisering van het heden voor dat goed en wel heeft plaatsgevonden – een jonge stad als Almere niet juist remt in de culturele ontwikkeling. Frijhoff lijkt het antwoord al te geven wanneer hij stelt dat het veronderstelde houvast dat het verleden ons geeft, slechts schijn is en de spiegel van het verleden niet deugt als richtsnoer van het heden omdat elke historische situatie de som is van verschillende historische omstandigheden (Frijhoff 2007, 51).

Het is wellicht tijd voor een meer diepgravende, grondige bezinning op de toekomst van de poldersamenleving in het licht van de steeds diversere bevolkingssamenstelling, de mogelijke provinciale herindelingen en de steeds minder prominente rol van de landbouw in het gebied voor we iets zinnigs kunnen zeggen over een al dan niet bestaande polderidentiteit en rol van lokale geschiedenis in de constructie daarvan. Het is, in de woorden van Frijhoff, immers ‘dát toekomstbeeld dat de selectie moet bepalen van de elementen die wij voor de komende tijd als richtsnoer, waarde en norm van onze identiteit willen koesteren’ (Frijhoff 2007, 52). Mijns inziens kan Museum De Paviljoens als katalysator een belangrijke rol spelen in het debat over en de vaststelling van een dergelijk toekomstbeeld, maar dan moet het een kritischer houding aannemen ten opzichte van de lokale geschiedenis en zijn eigen rol in de mythologisering daarvan.