To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol02/nr01/a04
Sterven
Binnen de hindoe-geloofsidealen bestaat een sterk onderscheid tussen een goede en een slechte manier van sterven. Goed sterven betekent bewust sterven op het juiste moment, de juiste plaats en voorbereid met de geest gericht op God. Wanneer men een slechte dood ondergaat die niet op het juiste moment, op brute wijze en onvoorbereid gebeurt, is het mogelijk dat de geest niet tot rust komt en de nabestaanden ongeluk brengt (Firth 2005a, 682-683). Goed sterven is bovendien een manier om het volgende bestaan positief te beïnvloeden. De vele gebruiken en rituelen rondom het sterven hebben dan ook voornamelijk als doel dat de stervende op een goede manier kan sterven (Firth 1996, 96-100; Firth 2005a, 682-683).
Bij de Sanaatan wordt de stervende meestal water van de Ganges te drinken gegeven of na het overlijden op de lippen gedruppeld. Vaak wordt een pandit uitgenodigd die de Sanaatan uit de geschriften, de Bhagavad Gita en de Samaadji’s uit de Veda’s en de Oepanishaden voorleest (Bot 1998, 191). Familieleden, vrienden en andere genodigden komen naar het huis van de stervende om afscheid te nemen en laatste handelingen voor hem of haar te verrichten. Ze zingen liederen uit de heilige geschriften, de Bhagavad Gita, en lezen voor uit de Ramayana. Verder ondersteunen ze de familie, door bijvoorbeeld voedsel mee te brengen en hen te troosten.
Na het overlijden wordt het huis voorbereid en schoongemaakt voor de familieleden en buren die op bezoek komen. Er wordt een olielampje of waxinelichtje aangestoken – een diya – en tot de crematie brandend gehouden. De diya bestaat doorgaans uit ‘een klein aardewerken schoteltje met daarin een pit gedrenkt in was of ghi. Ghi is gesmolten boter’ (Bakker 2003, 60). Volgens Dennis Friperson, een professional die zich presenteert als specialist in multiculturele uitvaarten, is het schrijven van rouwkaarten binnen de Hindoestaanse gemeenschap ongebruikelijk. Nadat een persoon is overleden wordt zijn of haar dood in Nederland via een Hindoestaans radioprogramma tijdens een speciale uitzending om twaalf uur ’s middags bekend gemaakt aan de bredere gemeenschap. Bovendien worden de familieleden in Suriname opgebeld, zodat ze voor de crematie op tijd naar Nederland kunnen komen.
In de diaspora sterven vele Hindoestanen in ziekenhuizen (Firth 2001, 238). In het ziekenhuis is het uitvoeren van bepaalde rituelen niet mogelijk. Firth beschrijft bijvoorbeeld hoe in Groot-Brittannië hindoe-patiënten die uit hun bed kruipen omdat het voor hen belangrijk is om zo dicht mogelijk bij de grond te sterven, door verplegend personeel terug in bed worden gelegd. Firth laat zien hoe professionals, onbewust van belangrijke rituelen, het stervensproces van hun patiënten belemmeren. Tegelijkertijd is het zo dat deze professionals handelen op grond van hun eigen waardensysteem, waarbij op de grond liggende patiënten onacceptabel zijn en juist als een teken van onwaardigheid en armoedige zorg worden gezien. Bij de transformatie van rituelen in de diaspora is het daarom van belang te kijken naar de constante wisselwerking tussen de waardensystemen van de verschillende deelnemers, in dit geval professionals in het ziekenhuis of uitvaartcentrum, en de Hindoestaanse gemeenschap in Nederland.
