To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol01/nr01/a05
Het leertraject
Een jonge balletleerlinge kijkt vaak halsreikend uit naar het passen van haar eerste paar spitzen. Ondanks dat ze pas elf jaar oud is, heeft ze vaak al een paar jaar balletlessen gevolgd en dus al een tijd naar dit moment toegewerkt. De eerste echte ontmoeting met spitzen vervult elke leerlinge dan ook met trots: eindelijk betreedt ze de volwassen wereld van de balletdans.
|
afbeelding 2: Balletleerling Michelle Hsiung is duidelijk opgetogen over haar eerste paar spitzen. Foto: Ric Wilson. |
Toch is de eerste ontmoeting voor de meesten een ontgoochelende ervaring (Barringer en Schlesinger 2004, 20). De schoenen blijken zeer oncomfortabel; ze staan instabiel en voelen hard. De vaardigheden van de leerling blijken nog lang niet toereikend om meteen op de spitzen te kunnen dansen. Het passen zelf is bovendien een langdradige en vaak frustrerende sessie. Dit alles maakt duidelijk dat de weg naar de schijnbaar moeiteloze lichtvoetigheid van de ballerina lang zal zijn.
Deze teleurstellende ervaring is het startpunt van een intensief leertraject, waarin de dansleerling langzaam maar zeker leert omgaan met de eisen van de schoenen en de bijbehorende danstechniek. De drastische fysieke ontwikkeling die een balletleerling daarbij doormaakt wordt duidelijk als we kijken naar de slijtage van de schoenen. Meestal komt een dansstudent in het eerste jaar van haar lessen toe met één paar spitzen. Na een aantal jaren training heeft de student ongeveer elke drie weken een nieuw paar nodig. Een professionele danseres kan bij elke voorstelling een of twee paar spitzen verbruiken (Barringer en Schlesinger 2004, 21).
Warnier wijst erop dat een leertraject met objecten tevens vele emotionele mijlpalen kent (Warnier 2001, 13). Zojuist zagen we al de spanning rondom de eerste confrontatie met spitzen. Maar zo is er ook de eerste selectieles met spitzen, de eerste succesvolle pirouettes op spitzen, de eerste serieuze blessure, de eerste partnerdans op spitzen, de audities bij professionele dansgezelschappen. En het niveau van de beheersing van spitzen is altijd een belangrijk criterium voor het verloop van de danscarrière. In relatie tot spitzen doet een jonge danseres dus ervaringen op die voor haar beslissend en vaak zeer emotioneel zijn.
Warnier stelt dat ‘vooral bij jonge mensen hun drijfveren en passies, hun fysieke verschijning en hun perceptie worden gevormd in relatie tot zulke ingrijpende ervaringen met artefacten’ (eigen vert. Warnier 2001, 21). ‘Van belang hierbij is dat de interactie met spitzen niet via abstracte kennis verloopt, maar voor het grootste deel zintuiglijk en motorisch van aard is en hierdoor diep in de psyche raakt’ (eigen vert. Warnier 2001, 10). Een balletdanseres verschilt dan ook niet van andere mensen omdat ze allerlei ‘kunstjes’ kan met haar spitzen, maar doordat ze de spitzen in haar lichaam heeft geïncorporeerd. Deze incorporatie omvat een proces van eindeloze oefening, fysieke en verbale communicatie met docenten en medestudenten, zoeken naar de juiste schoenen, anticiperen op gladde en harde vloeren, ontzien van blaren en likdoorns, uitvoeren van onmogelijke bewegingen onder toeziend oog van een docent of choreograaf en omgaan met serieuze blessures (naar voorbeeld van Warnier 2001, 130). Spitzen zijn daarmee een essentieel onderdeel van hoe de balletdanseres fysiek en emotioneel tot stand gekomen is. Ze zijn fysiek ‘ingesleten’ in haar vaardigheden, maar ook in haar doelen en haar behoeftes. Het idee is dat een ballerina een soort assemblage vormt met haar spitzen, een hybride. Dit idee is van groot belang wanneer we vanuit antropologisch perspectief haar motivatie, positie en agency willen bestuderen.
