To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol02/nr01/a04
Uitvaart
Voor de Sanaatani’s geldt de tijd tot en met de dertiende dag na de crematie als een speciale rouwperiode. Bij de Aarya-Samaadj hindoes duurt deze periode tot en met de dag van de crematie. In India en Suriname geldt daarna nog een rouwjaar, maar in Nederland is deze periode van rituele rouw korter. Tijdens deze tijd worden rituele handelingen, zoals dienstbewijzing voor de goden, puja, en vuuroffer, homa of havana, uitgevoerd (de Klerk 1998, 30-59). Deze dodenoffers, Shraaddha’s, voegen de overledene bij de voorouders (Klostermaier 1994, 192; de Klerk 1998, 236-240). Hierbij worden de voorouders aangeroepen en hen wordt gevraagd de overledene op te nemen in de kring van voorouders, en de overledene wordt verzocht om naar de voorouders te gaan. Veel nabestaanden nemen in deze tijd vrij van hun werk. In de diaspora kan dit niet altijd worden gehandhaafd. Familieleden krijgen soms geen of slechts enkele dagen vrij van hun werk. Als gevolg hiervan worden sommige rituelen ingekort in de diaspora, door Elmore (2006) ook wel rituele simplificatie genoemd.
Op de eerste dag na het overlijden wordt de dode door de nabestaanden of door medewerkers van het rouwcentrum gewassen. Het lijk wordt bij Hindoestanen door personen van het gelijke geslacht gewassen. Wanneer het lijk door een medewerker van het rouwcentrum in Nederland wordt gewassen, proberen de meeste centra hier rekening mee te houden. Het wassen wordt vaak begeleid door een pandit. Hij brengt verschillende parfums en kruiden mee om het lichaam ook ritueel te reinigen.
De overledene wordt dan in een wit gewaad gehuld. Verder wordt bij mannen een gele verticale streep, een tikaa, en bij vrouwen een rode stip op het voorhoofd als teken van gelovigheid aangebracht. Een getrouwde vrouw krijgt bovendien door haar echtgenoot een rode streep, een sindoer, op het midden van de haarscheiding getekend, dit als teken dat ze getrouwd is. Het aanbrengen van make-up en sieraden wordt door de vrouwen van de familie gedaan (Bot 1998, 192). De nabestaanden dragen zwart-witte of helemaal witte kleding om deze speciale tijd te markeren. De naaste nabestaanden dragen over het algemeen wit. Bovendien leggen de vrouwen tijdens de rituelen een sluier in dezelfde kleur als hun kleding over hun haar. De nabestaanden geven anderen geen hand en gaan niet of zo min mogelijk naar buiten. Dit heeft te maken met het geloof dat iedereen die in contact komt met de dood onrein wordt (Elmore 2006, 30). Luxe wordt in deze tijd afgewezen door de nabestaanden en er wordt zo eenvoudig mogelijk geleefd. De Hindoestanen eten tijdens deze dagen sober voedsel, dat wil zeggen vegetarisch eten dat niet in olie is gekookt en zonder kruiden is gemaakt. ‘Tijdens de periode van rouw maakt het niet uit hoe je eruit ziet. Daarom worden ook de spiegels in het huis bedekt’, zegt Janki, voorzitter van Hindoe Studenten Forum Nederland. Een van de mannen van het gezin, meestal de oudste zoon of broer, scheert zijn haar op de dag van de crematie. Alleen een plukje op het achterhoofd blijft staan (zie afb. 2). Familieleden, vrienden en buren komen langs om afscheid te nemen en om de familie te steunen. Ze brengen voedsel mee, omdat de familie geen vuur mag maken en dus ook het fornuis niet mag gebruiken. Dit gebruik stamt uit Suriname, waar men vreesde dat de geest van de overledene in het vuur zou verdwijnen (Bot 1998, 192). De Aarya Samaadj hindoes daarentegen geloven niet dat de geest nog aanwezig is, bij hen is koken in huis wel toegestaan (ibid.).
Daarnaast helpen familieleden onder leiding van de pandit ervoor te zorgen dat alle noodzakelijke ingrediënten voor de uitvoering van de rituelen in huis zijn. Meestal wordt aan familieleden die overkomen uit Suriname om bij de crematie aanwezig te zijn, gevraagd enkele dingen mee naar Nederland te brengen, zoals verse mangobladeren. Volgens een pandit omdat de band met het moederland Suriname nog sterk aanwezig is. Veel dingen die men voor de rituelen nodig heeft, groeien in Suriname, zoals het heilige gras dat om het overgebleven plukje haar en de vingers van de oudste zoon wordt gebonden om boze geesten af te weren. ‘Bovendien worden de ingrediënten die uit Suriname komen als krachtiger gezien’, legt de pandit uit. ‘Het gras is verser wanneer het meteen vanuit Suriname wordt meegebracht naar Nederland en het zit dan nog vol kracht, wanneer het hier aankomt.’
Voor de uitvaart vindt een ritueel in het huis van de overledene of in het rouwcentrum plaats, dat ervoor moet zorgen dat de overledene goed bij het cremato„rium aankomt. Tijdens een observatie van dodenrituelen bij Hindoestanen thuis ging dat als volgt. De overledene, een vrouw, wordt in de woonkamer in de kist opgebaard. De deksel wordt geheel van de kist afgehaald. Een diya wordt in de buurt van de overledene geplaatst en de nabestaanden mogen alleen op blote voeten of met sokken de kamer binnen. Er heerst een ontspannen sfeer. Iedereen is bezig met het voorbereiden van de rituelen. Dit duurt meerdere uren. Er worden palmbladeren voorbereid en pinda’s gemaakt, balletjes van rijst, tarwe of gerst die later tijdens de rituelen worden geofferd. De kinderen helpen mee en maken bloemenslingers en bereiden bloemblaadjes voor het afscheidsritueel voor. De teksten handelen over de rouw en ‘het verrijken’ ofwel vergaren van religieuze verdiensten binnen het leven. Tussendoor gaan de familieleden naar de kist toe en praten zachtjes met de overledene of spreken gebeden uit. ‘De overledene is nog steeds een van ons. Wij wijzen haar niet af omdat ze gestorven is’, zo legt een nabestaande uit.
|
Afb. 3: De zoon van de overledene (links) voert onder leiding van de pandit (rechts) de laatste rituelen uit, voordat de kist naar het crematorium wordt gebracht. Foto: Sham Hira. |
Daarna wordt naast de overledene in de woonkamer een kleine offerplaats opgericht met zand uit de tuin van een familielid en een metalen schotel waarin tijdens het ritueel een offervuur brandt. De oudste zoon van de overledene speelt volgens de geloofstraditie een belangrijke rol bij de laatste rituelen rond de crematie. Men gelooft dat wanneer hij de rituelen niet op de juiste manier uitvoert zijn vader of moeder als piśāca, als boze geest, zal blijven ronddwalen (Klostermaier 1994, 191). De aanwezige pandit legt aan de zoon uit wat die moet doen. Hij benadrukt dat mannen die deze eredienst voor hun ouders uitvoeren, dit doen uit een diepe dankbaarheid ten aanzien van de overledene, en gelukkig zijn dat zij dit voor de overledene kunnen doen. De eredienst mag onder bepaalde omstandigheden ook door de jongste zoon, of een broer van de overledene worden uitgevoerd. Onder leiding van de pandit offert de oudste zoon pinda’s aan de goden en werpt lepels met ghi, reukwerk en suiker in de vlammen (zie afb. 3). Volgens het geloof geeft de vuurgod Agni deze offers door aan de goden (Klostermaier 1994, 134).
Nadat alle rituele handelingen zijn uitgevoerd mag niemand de dode meer aanraken en wordt de kist gesloten. ‘Dit moment is heel emotioneel, omdat de overledene nu haar huis voor de laatste keer verlaat en nooit meer terug zal keren’, vertelt een familielid tijdens de observatie van dit ritueel. ‘Alle momenten waar de overledene voor de laatste keer is, of wanneer wij haar voor het laatst zien, zijn bijzonder emotioneel.’
Bij de geobserveerde familie werd dit ritueel thuis uitgevoerd, omdat het crematorium in Zoetermeer geen vuuroffers in het gebouw toestaat vanwege brandgevaar. In sommige andere crematoria is dit wel mogelijk. Een pandit zegt over deze verschillen:
‘In sommige rouwcentra is het toegestaan een vuuroffer te doen en in sommige niet. Wij passen ons en de rituelen aan de situatie aan. De rituelen behouden hun kwaliteit, want God houdt rekening met de situatie van de mensen. De tijden veranderen en ook de manier van omgaan. Belangrijk is het de mensen gerust te stellen, en dit is de opgave van een pandit.’
De pandit beschrijft zichzelf als een schakel die zorg draagt voor een goede communicatie tussen de nabestaanden en God, maar ook tussen de gemeenschap en professionals uit de uitvaartbranche, met het oog op een goed verloop van de rituelen. Hieruit blijkt dat voor deze pandit rituele flexibiliteit een noodzakelijk deel van zijn taak is.
Daarnaast zien ook professionals in de Nederlandse uitvaartbranche dit steeds meer als hun taak, zoals blijkt uit het volgende citaat van Friperson, de eerdergenoemde specialist in multiculturele uitvaarten (waarbij hij overigens ook het commerciële aspect niet uit het oog verliest):
‘Men moet hen gewoon hun eigen gang laten gaan. Ze hebben een heel andere cultuur en voor hen heeft een uitvaart een heel andere betekenis. Ze zijn bovendien bereid er veel meer voor te betalen als ze hiervoor dan ook de tijd krijgen alles wat ze willen te kunnen doen.’
Tijdens de geobserveerde uitvaart wordt het proces van wederzijdse aanpassing van rituelen steeds verder duidelijk. Nadat de rituelen in de huiselijke sfeer zijn verricht, wordt de kist door uitvaartmedewerkers opgehaald en naar het crematorium gebracht. In Suriname was het lange tijd niet toegestaan doden te cremeren. Pas in 1969 vond daar de eerste crematie plaats. Hindoes in Suriname hebben dus een lange tijd hun doden moeten begraven (Bakker 2003, 51). Hierdoor moesten de plechtigheden in Suriname worden aangepast en ingekort (de Klerk 1998, 227). Naast simplificatie van bepaalde rituelen in Suriname, zoals het inkorten van de rituele periode van rouw, is er ook sprake van een soort herontdekking en vernieuwing van toenmalige gebruiken na de komst naar Nederland. Daar was crematie toegestaan, waardoor de traditionele voorkeur voor crematie weer naar voren kwam, al was men op de officiële crematoria aangewezen (Schouten 2008). De korte, gedwongen traditie van begraven zou tevens een verklaring kunnen zijn voor het feit dat Hindoestanen in Nederland in een kist worden gecremeerd, terwijl het sinds 1998 mogelijk is in een lijkwade te cremeren, zoals in India gebeurt.
Tijdens de geobserveerde plechtigheid volgen de nabestaanden de kist in een lange stoet. De kist wordt dan op een podium getild en geopend. De oudste zoon en de naaste familieleden blijven bij de kist staan.
Meestal spreekt de pandit gebeden uit en de familie leest gedichten voor. Er worden rituelen uitgevoerd, vaak wordt hierbij gebruik gemaakt van bloemen, ghi en wierook. Opvallend zijn de vernieuwingen, die zich voordoen tijdens sommige uitvaartplechtigheden. De nabestaanden geven de ceremonie een persoonlijke en individuele touch door bijvoorbeeld fotopresentaties te tonen en persoonlijke gedichten en verhalen uit het leven van de overledene te vertellen, zoals gebruikelijk in de meer geïndividualiseerde Nederlandse uitvaartcultuur.
Wanneer een crematorium wordt ingeschakeld, intensiveert het proces van onderhandelen over de dodenrituelen. De uitgebreide en qua tijdsduur niet voorspelbare rituelen tijdens een uitvaartceremonie zijn voor de medewerkers van een crematorium moeilijk te plannen en vereisen flexibiliteit. Rouwcentra en crematoria die al bekend zijn met de variërende tijdsduur van rituelen plannen Hindoestaanse uitvaarten daarom laat in de middag of in de avond. De gebruiken van Hindoestanen tijdens een ceremonie verschillen vaak sterk van de plaatselijke ‘Nederlandse’ gebruiken. Ten eerste zijn meer bezoekers dan bij een ‘gemiddelde’ Nederlandse uitvaart aanwezig. Het afscheid nemen van de overledene wordt als een bijzondere plicht gezien. Volgens multicultureel uitvaartspecialist Mahawat Khan zouden Hindoestanen graag op zondag willen cremeren, omdat dan iedereen aanwezig kan zijn en niet vrij hoeft te nemen van zijn of haar werk. Dit is op het ogenblik in de regel niet mogelijk in Nederland, omdat de meeste crematoria dan gesloten zijn.
Bovendien zijn Hindoestanen gewend tijdens een ceremonie in en uit een ruimte te kunnen lopen. In Nederland zijn rouwcentra en crematoria echter expliciet zo gebouwd dat wordt voorkomen dat mensen elkaar tegenkomen (Heessels, ter perse). Medewerkers van rouwcentra en crematoria zijn daarom bij Hindoestaanse uitvaarten bang dat verschillende groepen nabestaanden elkaar tegenkomen en dat andere rouwenden zich daaraan zouden kunnen storen, vanwege het ideaal van individuele service dat daarmee verloren gaat (ibid.). Voor de Hindoestanen is bewegingsvrijheid echter essentieel om de rituelen goed uit te kunnen voeren. Bij het crematorium aangekomen wordt de kist door zonen, broers of ooms de aula binnengedragen. Tussendoor wordt vijf tot zeven keer gestopt om de kist op de grond te zetten en onder het uitspreken van gebeden voor de god Rama weer op te tillen (zie afb. 4). De kist mag de grond niet raken, daarom wordt de kist in witte lakens gehuld. Daarnaast moet rondom de kist genoeg plaats zijn, zodat de nabestaanden zeven keer om de kist heen kunnen lopen.
Na een verbouwing van het crematorium te Usselo, kwam deze rituele ruimte ter discussie te staan: er was plots niet meer genoeg plaats om allemaal rond de kist te kunnen staan. Al snel kwamen er klachten vanuit de Hindoestaanse gemeenschap bij de directie van het crematorium terecht. In het crematorium te Usselo hebben ze hiervoor een speciale oplossing gevonden. De banken zijn mobiel gemaakt en worden nu voor een Hindoestaanse uitvaart weggehaald, zodat er voldoende ruimte is.
Aan het eind van de ceremonie neemt iedere aanwezige persoonlijk afscheid van de overledene en loopt om de kist en strooit bloemblaadjes in de kist. Dan verlaat bijna iedereen de ceremonie en wast de handen om zich symbolisch te reinigen. Alleen de naaste familieleden blijven om de laatste rituelen te zien. Er worden ghi, kruiden en soms houtjes in de kist gelegd.
In India en Suriname is het gebruikelijk dat de nabestaanden erbij zijn als het lichaam op open vuur wordt verbrand. In India gebeurt dit het liefst bij de heilige rivier de Ganges. In Suriname is er vlakbij Paramaribo een crematieplaats ingericht, genaamd ‘de Weg naar Zee’ (Bot 1998, 200). Sinds 1994 is er ook een crematorium, maar nog steeds kiezen de meeste mensen voor de Weg naar Zee (ibid.). In Nederland is verbranding op open vuur volgens de wet met betrekking tot het milieu niet mogelijk. Meestal bieden hier crematoriummedewerkers familieleden echter wel aan om aanwezig te zijn bij de invoer van het lichaam in de oven. Soms wordt het toegestaan dat iemand van de nabestaanden de knop van de oven indrukt. De oudste zoon loopt met een lepel met brandende ghi enkele keren rond de kist en voert deze naar de mond van de overledene (zie afb. 5). Dit wordt daag denaa (in brand steken) genoemd (de Klerk 1998, 230).
|
Afb. 5: Nadat de zoon rond de kist is gelopen, voert hij de lepel met brandende ghi naar de mond van de overledene. Foto: Sham Hira. |
Hierbij worden nog gebeden gesproken. Ten slotte wordt de kist gesloten. Een brandende diya wordt op de kist gezet, vaak boven op een wit laken. Soms komt het voor dat een diya in de kist wordt geplaatst en de kist begint dan al een beetje van binnen te branden. Dit laatste afscheid is voor de naaste familieleden heel emotioneel. Er wordt gehuild en geweeklaagd.
Wanneer professionals dit voor het eerst meemaken zijn ze soms geshockeerd, omdat ze niet gewend zijn aan de aanwezigheid van nabestaanden in deze backstage ruimte, en al helemaal niet aan het uiten van emoties in deze ruimte. Een medewerker van een crematorium vertelt: ‘Ze hangen aan de kist en proberen deze vast te houden. De vrouwen smeken: “Alstublieft verbrandt mijn man niet.” Dan moet je hard blijven.’ De medewerkers willen aan de ene kant tegemoetkomen aan de wensen en vereisten om de rituelen te kunnen uitvoeren, maar hebben tegelijkertijd te maken met strenge veiligheidsregels en soms met onbekendheid met deze manier van omgaan met de doden. Omdat Nederlandse crematoria nog relatief weinig ervaring hebben, verschillen de praktijken per crematorium en per medewerker. De eigen waarden en normen van het uitvaartpersoneel spelen hierin een rol (Heessels, ter perse). In India wordt bijvoorbeeld tijdens de verbranding de schedel van de overledene gebroken, omdat anders, zo gelooft men, de ziel niet vrij kan komen. Sommige medewerkers van Nederlandse crematoria doen dit op verzoek van nabestaanden in hun plaats, omdat het voor de nabestaanden belangrijk is, terwijl door andere medewerkers met afschuw op deze suggestie wordt gereageerd.
Het indrukken van de knop van de oven heeft voor sommige Hindoestanen een symbolische waarde, omdat het voor hen gebruikelijk is dat de oudste zoon de brandstapel in brand steekt. Toch blijkt dit compromis niet helemaal toereikend te zijn. Het ‘gevoel’ bij een verbranding op een brandstapel in de open lucht is volgens Hindoestanen heel anders dan bij een crematie in een oven. Bij een verbranding in de open lucht ligt het lijk in de brandstapel en het hout wordt meestal door de oudste zoon op meerdere plekken aangestoken. Een van de leden van de Hindoestaanse gemeenschap in Twente legt uit:
‘In de oven van een crematorium kan men de vlammen niet eens zien. Alles is bedrijfseconomisch gebouwd en de dode wordt op afstand gehouden. Wij willen erbij betrokken zijn. Wij willen zelf de laatste handelingen voor de overledene verrichten.’
Voor Hindoestanen is de verbranding een groepsgebeuren waar men tot het einde bij aanwezig blijft. Dit is niet mogelijk bij een crematie in Nederland. Hier worden de nabestaanden na de invoer van de kist in de oven naar buiten gebracht. Na de verbranding wordt in India en Suriname met melk en water de as van de botten gespoeld en worden deze verzameld en in stromend water geworpen, of begraven.
