Quotidian 2 (December 2010)Anne Swhajor; Meike Heessels; Paul van der Velde; Eric Venbrux: Aan de Ganges in Twente

To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol02/nr01/a04

Hindoestanen in Nederland

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, kunnen Hindoestanen zowel aanhangers van de islam als van het hindoeïsme zijn (Bakker 2003, 10-11). In Nederland bestaat de Hindoestaanse gemeenschap naar schatting uit meer dan 100.000 personen (Schouten 2008). Hiervan is de overgrote meerderheid hindoe, een kleine groep is moslim en een nog kleinere groep christen. In dit artikel focussen wij op de overgrote meerderheid van Hindoes.[3]

De meeste Hindoestanen in Nederland zijn van Surinaams-Indiase oorsprong. Al in de 17de eeuw waren Nederlandse kolonisten in Suriname aan de macht. Toen in 1863 na een lange strijd de slavernij in Suriname werd afgeschaft, sloten de Nederlandse kolonisten een overeenkomst met de Engelsen om vanuit voormalig Brits-Indië werkkrachten te werven. Meer dan 34.000 hindoe-contractarbeiders kwamen in de periode van 1873 tot circa 1918 naar Suriname. Tweederde van hen bleef na afloop van het contract in Suriname. Langzaamaan vervaagden de kastengrenzen en het kastenbesef in Suriname, alleen de hoogste kaste van de brahmanen bleef intact (de Klerk, 1998; van der Velde 2000, 24-25), alhoewel het leeuwendeel van de brahmanen zich hier in de praktijk niet meer op beroept. Er ontstond in Suriname een nieuw soort hindoeïsme: ‘(...) althans wat de structuur van de religie betreft, de religieuze voorstellingen van deze hindoes in de diaspora zijn grotendeels nog gelijk aan die van de hindoes in Noord-India’ (van der Burg 1991, 36).

Toen de eerste Surinaamse Hindoestanen in de jaren ’60 naar Nederland trokken, was er feitelijk dus sprake van een dubbele migratie: eerst van voormalig Brits-Indië naar Suriname en daarna van Suriname naar Nederland. In 1975 kwamen er opnieuw migranten uit Suriname naar Nederland vanwege de politieke instabiliteit rondom de onafhankelijkheid van Suriname (van der Burg en van der Veer 1986b). De hindoes onder hen behielden ook in Nederland hun geloofspraktijken en -regels, al veranderden deze opnieuw. In Suriname waren twee groeperingen. De meerderheid van zo’n 80% bleef trouw aan het ‘traditionele’ hindoeïsme, de Sanaatan-Dharm, wat ‘eeuwige religie’ betekent. Ze worden Sanaatani’s, Sanaatan hindoes of Poeraaniks genoemd. De andere 20% bekeerde zich tot een religieuze hervormingsbeweging uit India, de Aarya-Samaadj, ofwel ‘het verbond der nobelen’. Zij worden Samaadji’s, Aarya hindoes of Vaidiks genoemd. Deze groepen zetten zich in Nederland voort, maar huwelijken tussen partners uit beide groepen zijn geen uitzondering en op deze manier is het mogelijk dat binnen één familie beide religieuze tradities bestaan (Bot 1998, 188).

Met betrekking tot de precieze uitvoering van dodenrituelen verschillen de aanhangers van de Sanaatan-Dharm en de aanhangers van de Aarya-Samaadj van elkaar (Bakker 2003; de Klerk 1998; Klostermaier 1994; Schouten 1999). In dit artikel zullen we niet op de details van deze verschillen ingaan. Vanwege ruimtegebrek, maar ook omdat er niet alleen veel verschillen tussen de verschillende groepen hindoes bestaan, maar ook tussen de gelovigen onderling. Het hindoeïsme heeft tot op zekere hoogte een gedeelde kern, maar veel daaromheen kan door iedere hindoe zelf worden ingevuld. In Nederland verschillen de gebruiken bovendien per familie, maar ook per pandit wiens hulp wordt ingeroepen. Want de pandit vervult in Nederland, anders dan in India en Suriname, naast zijn rol als religieuze specialist ook de rol van geestelijk verzorger en heeft vaak een nauwe band met de families door wie hij wordt geraadpleegd (van der Velde 2001, 63). De beschrijving die hierna volgt, moet dus opgevat worden als een aanduiding van de ‘globale’ situatie voor Hindoestanen in Nederland (vgl. Elmore 2006 wat betreft Engeland).[4]

Het hindoeïsme is een complexe religie, die veel regionale verschillen kent en voortdurend in verandering is. Over het algemeen wordt het geloof gedeeld in een onsterfelijke ziel, de Atman, die onderdeel is van een groter geheel en die gevangen is in een eindeloze kring van geboorte en wedergeboorte. De vooronderstelling is dat het lichaam leeft door de aanwezigheid van de ziel en dat de ziel na de dood een nieuwe levensvorm vindt. Dit kan een menselijk lichaam zijn, maar ook een geboorte als dier of plant is mogelijk. De geboorte is bepaald door het karma, een optelsom van alle goede en slechte daden die de mens in het vorige leven heeft begaan. Daarom is het leiden van een goed leven belangrijk voor hindoes. De ziel is op aarde om zich te verrijken en uiteindelijk het absolute bewustzijn te bereiken en op te lossen in het niets, in Moksha of in het Nirvana.

Binnen het hindoeïsme bestaat zowel het geloof in vele goden als het geloof in één god. De meeste hindoes verwoorden dit door te benadrukken dat ze in één god geloven, maar dat hij vele manifestaties kent, zoals een dobbelsteen vele kanten heeft. Het gaat in het hindoeïsme niet zozeer om de juiste geloofsleer, maar meer om het juiste handelen. De dharma, de persoonlijk verplichte levensorde, kent verschillende voorschriften die moeten worden opgevolgd. Hieronder vallen ook de sanskaars: in totaal 16 rituelen, die de rites de passage in het leven van een hindoe markeren (de Klerk 1998, 89-173; van der Burg en van der Veer 1986a, 32). Een van de belangrijkste rituelen is het dodenritueel, het zogenaamde antyeshti-sanskaar (Klostermaier 1994, 189).