Quotidian 2 (December 2010)Anne Swhajor; Meike Heessels; Paul van der Velde; Eric Venbrux: Aan de Ganges in Twente

To refer to this article use this url: http://www.quotidian.nl/vol02/nr01/a04

Inleiding

In 2006 werd bij het crematorium te Usselo, in samenwerking met de Hindoestaanse gemeenschap in Twente, het eerste ‘interculturele’ strooiveld van Nederland opgericht, genaamd Nirvana. Het strooiveld is speciaal ingericht om het verstrooien van as volgens hindoe-rituelen mogelijk te maken. Binnen het hindoeïsme gelooft men dat het lichaam uit vijf hoofdelementen bestaat: water, lucht, ether, vuur en aarde. Deze elementen dienen na de dood zo snel mogelijk weer naar hun oervorm teruggebracht te worden. Daarom wordt het lichaam gecremeerd en vervolgens onmiddellijk verstrooid boven stromend water (Parry 1994; Klostermaier 1994). In Usselo is hiertoe een waterbron gecreëerd (zie afb. 1). Tijdens de inwijding van het Nirvana werd de bron symbolisch in contact gebracht met de heilige rivier de Ganges door middel van Ganges-water dat voor de gelegenheid uit India overgebracht was. Het monument fungeert sindsdien als een soort ‘filiaalheiligdom’. Net zoals door heel Nederland tal van reproducties van de grot van Lourdes te vinden zijn, is dit monument te beschouwen als ‘de Ganges in Twente’. Zo worden veranderende dodenrituelen uitgedrukt in de materiële cultuur, met name in wat wel materiële religie genoemd wordt (Molendijk 2004).

In dit artikel beschouwen we ‘de Ganges in Twente’ vanuit het oogpunt van rituele transformatie. Met de verschillende culturele achtergronden van migranten hebben nieuwe gebruiken en geloofsopvattingen Nederland bereikt (vgl. Oomen en Palm 1997, Pessireron 1999).[2] Het filiaalheiligdom biedt inzicht in de adaptatie van hindoe-dodenrituelen in de diaspora (Mohkamsing-den Boer en Zock 2004; Rambaran en Ramsoedh 1998; Vertovec 2000).

FIG2

Afb. 1: Het monument Nirvana op het strooiveld te Usselo, Crematoria Twente. Foto: Anne Swhajor.

Barbara Meyerhoff benadrukte in 1982 al het veranderlijke karakter van rituelen. Ze liet zien dat het model van rites de passage (overgangsrituelen), zoals Van Gennep (1960) dat formuleerde, geënt is op ‘traditionele, kleinschalige samenlevingen’ en paste dit vervolgens toe op de ‘complexe westerse samenleving’. Ze toonde bovendien dat overgangsrituelen, die volgens haar in eerste instantie ‘schokkend afwezig’ lijken, in de complexe westerse samenleving juist een belangrijke rol hebben. Ook in een recent onderzoeksproject werd geconcludeerd dat overgangsrituelen niet afwezig zijn, maar dat er juist sprake is van een sterke rituele creativiteit (Venbrux, Heessels & Bolt 2008, Venbrux, Peelen & Altena 2009). Binnen de context van migratie krijgt deze rituele creativiteit nog een andere dimensie. Dan veranderen rituelen volgens Jonker (1996, 29) en Elmore (2006, 41) als reactie op de nieuwe sociale en culturele omgeving. In dit artikel benadrukken we dat deze verandering tweezijdig is: immigranten passen hun rituelen aan de nieuwe context aan, maar tegelijkertijd zijn ook de rituelen en praktijken in de Nederlandse uitvaartbranche veranderd door de komst van migranten.

Net als in Amerika (vgl. Laderman 2003), zijn in Nederland bepaalde belangengroepen opgericht, bijvoorbeeld stichting Ganesh die zich in de jaren ’80 richtte op het maken van afspraken met crematoria over het uitvoeren van hindoe-rituelen tijdens crematies (Schouten 1999, 49). Daarnaast vroegen bepaalde individuen om verandering, zoals een boeddhistisch gezin dat in 1978 de as van hun kindje mee naar huis wilde nemen voor hun huisaltaar, wat toen nog ondenkbaar was in Nederland (Cappers 1999, 290). Uiteindelijk werd de wet in 1991, mede naar aanleiding van dit conflict, aangepast om aan de veranderende wensen binnen een multiculturele samenleving te voldoen. Daarnaast werd het, onder andere op verzoek van moslims in Nederland, mogelijk om doden te begraven zonder kist, in lijkwade, en binnen 24 uur (Dessing 2001, 141). Tot slot zijn er sinds de jaren ’90 verschillende bedrijven en verzekeringsmaatschappijen die zich gespecialiseerd hebben in ‘multiculturele uitvaarten’, zoals zij het zelf noemen, om aan de wensen van deze groepen te kunnen voldoen.

Hoewel de Nederlandse uitvaartcultuur vaak wordt beschreven als geïndividualiseerd en met grote nadruk op zelfbeschikking ten aanzien van wat er na de dood met het eigen lichaam gebeurt (vgl. Venbrux 2007, Wouters 2002), is ook de Nederlandse uitvaartcultuur niet ‘waardenvrij’. Ondanks het ideaal van de persoonlijke uitvaart, waarin alles mogelijk is, blijkt dat ook de professionals in het crematorium bepaalde waarden hanteren waaraan een uitvaart moet voldoen (Heessels, ter perse). De onderliggende ideeën over een ‘goede’ uitvaart komen juist dan naar voren wanneer mensen van het standaardpad afwijken. Op dat moment worden beide groepen, zowel de nabestaanden als de professionals, gedwongen te onderhandelen over de vormgeving van rituelen. In het onderzoek naar veranderende dodenrituelen in Nederland is tot nu toe betrekkelijk weinig aandacht besteed aan de symbolische strategieën van professionals in de Nederlandse uitvaartbranche en van migrantengroepen om dit op te lossen.

In dit artikel exploreren we dit wederzijdse proces van onderhandeling over rituelen aan de hand van het door Anne Swhajor verrichte masteronderzoek over de manier waarop hindoes in Nederland in samenwerking met professionals in de uitvaartcultuur vormgeven aan rituelen in een multiculturele samenleving. Hierbij richten we met name de aandacht op Hindoestanen die afkomstig zijn uit Suriname. Het onderzoek sluit verder aan bij de recente belangstelling voor hindoe-tradities in West-Europa (Nugteren 2009a), in het bijzonder die met betrekking tot de dood (Bot 1998; Firth, 1997; Richner 2006). Verder wordt op basis van interviews met Nederlandse Hindoestanen en medewerkers van crematoria een beeld geschetst van hun ervaringen met dodenrituelen. Om inzicht te krijgen in de uitvoering van rituelen en de flexibele manier waarop hiermee omgegaan wordt, werden enkele hindoe-priesters, pandits genoemd, geïnterviewd. Daarnaast zijn participerende observaties verricht tijdens dodenrituelen bij een Hindoestaans gezin thuis en in een crematorium. Tot slot leverden observaties van Hindoestaanse crematieplechtigheden bij crematoria in Usselo en Zoetermeer een aanvulling op de interviews. Hierbij werden bovendien vele informele gesprekken met nabestaanden en uitvaartprofessionals gevoerd.